
Teksten
Cas volgt de hele route gedachteloos zijn navigatie. Zodra hij de deelauto op het vrijwel lege parkeerterrein tot stilstand heeft gebracht, ziet hij hoe het helmgras op de duinen door de wind wordt platgedrukt. Hij sluit zijn ogen en blijft bewegingloos in de wagen zitten, met zijn ene hand nog aan het stuur en zijn andere hand op de versnellingspook. Even twijfelt hij of hij het wel moet doen. Het is een dom plan, dat hebben zijn huisgenoten hem vaak genoeg in heldere taal duidelijk gemaakt. Toch is hij in de auto gestapt. Toch is hij hier. Want als het ding niet tegen een beetje wind en regen kan, wat heeft hij er dan aan op de dag dat het water zijn huis bereikt? De wind suist door de kieren van de portiers. Hij voelt een frisse tocht in zijn nek. Als hij te lang blijft zitten zou hij zo in slaap vallen.
De laatste maanden heeft hij last van een terugkerende nachtmerrie. Hij staat midden in een weiland tussen een kudde zenuwachtig blatende schapen. Vanuit de verte komt er een enorme vloedgolf op hem af. De schapen vluchten, beklimmen schichtig een dijk aan de rand van het weiland en verdwijnen aan de andere kant. Cas wil ook wegrennen, maar het lukt niet, zijn voeten zijn vergroeid met de aarde als boomwortels in de grond. Zodra het water over hem heen spoelt, voelt hij een druk op zijn borst. Hij krijgt geen adem meer. Het water valt met zoveel agressie op hem neer dat hij zijn bewustzijn verliest, en dat is steevast het moment waarop hij zwetend wakker wordt. De laatste weken heeft hij deze droom steeds vaker, soms wel twee keer per nacht.
Het is al twaalf dagen verschrikkelijk zeikweer en al twaalf dagen is de vangst veel te mager. Tom heeft zijn handschoenen uitgetrokken en wrijft zijn handen tegen elkaar, zijn vingers zijn koud en stijf als haringen in een koelton. Voorin de curragh zit Green zo stil dat Tom het gevoel krijgt dat die ouwe in slaap gesukkeld is. Op het bankje achter Tom zit Liam, hij hangt over de riemen als een slappe makreel en leunt op het voorste puntje van zijn laarzen. Hij wiebelt als een gek met zijn benen, misschien om zichzelf warm te houden. Gister vingen ze zeventien haringen en de dag ervoor negentien. Veel te weinig. En vandaag hebben ze nog helemaal niks.
Green draait zijn hoofd; hij slaapt dus niet. Onder het randje van zijn vissershoed door kan Tom zijn ogen zien bewegen. Ze schieten heen en weer over het wateroppervlak en zien dingen die geen enkele andere visser kan zien: kleine veranderingen in de golven, vreemde bewegingen onder water. Al vijftien jaar werken ze samen, maar nooit heeft Tom de mysteries van de zee kunnen ontrafelen zoals Green dat kan. Het is ongelooflijk wat die man met het blote oog kan zien. Dat is wat hem zo goed maakte, ooit. Dat is waarom Tom jaren geleden voor hem is gaan werken, toen iedereen in de wijde omtrek van Galway de naam William Green kende, toen hij bekend stond om zijn geweldige instincten en zijn fijnzinnige gevoel voor de haringen.
Tegenwoordig is dat wel anders. Het gaat achteruit met Green. Het komt door de regen, beweert hij. Met dit weer duiken de vissen dieper onder water en laten ze zich aan de oppervlakte nauwelijks nog zien. Soms zegt hij dat het aan zijn ogen ligt, dat zijn zicht slechter wordt, soms zegt hij dat het een matig seizoen is dit jaar. Maar is er meer aan de hand, dat weet Tom best. En Green zelf weet het natuurlijk ook.